direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Ransdalerweg 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0986.BPRansdalerweg2-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het agrarische bedrijfsperceel aan de Ransdalerweg 2 te Voerendaal is gelegen in het waterwingebied Craubeek. Vanwege de uitspoeling van meststoffen staat de kwaliteit van de waterwinning onder druk. Door de Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) is daarom het agrarisch bedrijf in het verleden in eigendom verworven. Om de belangen van het waterwingebied definitief veilig te stellen wenst WML te komen tot een duurzame herbestemming van de gronden door de agrarische bedrijfsbestemming te wijzigen in een woonbestemming ter plaatse van de (voormalige) bedrijfswoning en in een agrarische bestemming na sloop van de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing.

De gemeente Voerendaal heeft aangegeven medewerking te verlenen aan de procedure voor de bestemmingswijziging. Het maatschappelijk belang van een kwalitatief goede grondwaterwinning rechtvaardigt dit. Door het slopen van de bebouwing, het intrekken van de milieurechten en het opheffen van de agrarische besdrijfsbestemming wordt voorzien in een aanzienlijke milieuwinst en een behoorlijke stedenbouwkundige verbetering (ontstening). Een goede landschappelijke inpassing van de woning is daarbij tevens een voorwaarde.

1.2 Ligging plangebied

Het perceel Ransdalerweg 2 ligt in het buitengebied van de gemeente Voerendaal, ten westen van de kern Voerendaal. De Ransdalerweg is een zijweg van de hoofdweg Valkenburgerweg/Barrier, de hoofdontsluiting tussen Voerendaal en Klimmen. Het perceel ligt nabij de A79 ter hoogte van de spoorverbinding Maastricht-Heerlen.

Het plangebied betreft het voormalige agrarische bedrijfsperceel aan de Ransdalerweg 2, kadastraal bekend, gemeente Voerendaal, sectie G, nummer 178.

afbeelding "i_NL.IMRO.0986.BPRansdalerweg2-VA01_0001.png"

Uitsnede luchtfoto (bron: Google maps 2014)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' van de gemeente Voerendaal, door raad (gewijzigd) vastgesteld op 11 april 2013. Op 13 november 2014 is door de raad een reparatie van dit bestemmingsplan vastgesteld naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Raad van State over twee beroepsschriften. Deze reparatie is niet van toepassing op onderhavig perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0986.BPRansdalerweg2-VA01_0002.png"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan van het plangebied

Voor het plangebied is de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' van toepassing. Deze gronden zijn specifiek bestemd voor agrarische bedrijven, waaronder begrepen productiegerichte paardenhouderijen. Binnen het aangewezen bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen ten behoeve van de in deze bestemming worden gebouwd.

Tevens geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Daarmee zijn de betreffende gronden mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische monumenten en archeologische vindplaatsen en de bescherming van mogelijke archeologische waarden binnen gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.

Voor een smalle strook aan de straatzijde van het perceel is de dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselement' van toepassing. Dit houdt in dat de betreffende gronden mede bestemd zijn voor instandhouding en herstel van de aanwezige kleine landschapselementen en de daarmee samenhangende landschappelijke en natuurlijke waarden, alsmede het daarmee samenhangende waterbergend vermogen van de grond.

Ter plaatse van onderhavig perceel zijn daarnaast twee bijzondere gebiedsaanduidingen van toepassing, te weten: 'milieuzone - bodembeschermingsgebied' en 'milieuzone - waterwingebied'. Dit betekent dat de gronden respectievelijk aangewezen zijn voor duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden en voor de bijzondere bescherming van de bodem van het bodembeschermingsgebied Mergelland. Ten behoeve van het waterwingebied gelden een aantal verbodsbepalingen. Zo mag geen omschakeling binnen de agrarische bedrijfsvoering plaatsvinden, voor zover daardoor de veiligheid van de drinkwatervoorziening wordt of kan worden aangetast. Er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die noodzakelijk zijn in verband met de openbare drinkwaterwinning, tenzij Gedeputeerde Staten hiervan ontheffing kunnen verlenen. Daarnaast mogen er geen inrichtingen in waterwingebied worden opgericht, anders dan voor drinkwatervoorziening.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt eerst een beschrijving van de huidige situatie gegeven in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het planvoornemen en bijbehorende uitgangspunten. De relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente komen in hoofdstuk 4 aan bod. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten en in hoofdstuk 6 wordt aangegeven hoe het planvoornemen is verwoord in de planregels. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Tot slot komt in hoofdstuk 8 de doorlopen procedure aan bod.

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

2.1 Omgeving

Het plangebied ligt in het buitengebied van Voerendaal. Ter plaatse wordt het landschap gekenmerkt door plateaus, hellingen en dalen die karakteristiek zijn voor dit deel van Zuid-Limburg. Het plateau wordt gekenmerkt door relatief vlakke, open, grootschalige landbouwgebieden en door dorpen met restanten van hoogstamboomgaarden en hagen eromheen. Landbouwkundig worden deze gronden hoofdzakelijk gebruikt voor akkerbouw. Op de flauwe hellingen zijn gehuchten en verspreide bebouwing gelegen.

Het plangebied ligt in het overgangsgebied van het plateau naar het beekdal, in dit geval het dal van de Craubekervloedgraaf.

De rijksweg A79 en spoorverbinding Maastricht-Heerlen vormen ter plaatse een harde grens in het landschap en doorkruisen de natuurlijke loop van het landschap.

2.2 Plangebied

Het plangebied zelf is gelegen in het open buitengebied tussen Voerendaal en Klimmen. De Ransdalerweg is een smalle weg die ter hoogte van het plangebied de lijn van de helling volgt, om vervolgens het plateau op te gaan richting de Ransdalerstraat tussen Voerendaal en Ransdaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0986.BPRansdalerweg2-VA01_0003.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0986.BPRansdalerweg2-VA01_0004.jpg"

Luchtfoto's plangebied

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.868 m2. De bebouwing van de voormalige varkenshouderij bestaat uit een woonhuis met garage, varkensstallen en werktuigbergingen. De bedrijfsbebouwing heeft een omvang van circa 900 m2 en is in een karakteristieke U-vorm gebouwd. De woning bestaat uit twee bouwlagen met kap, waarbij de kap aan de voorzijde doorloopt tot de begane grond. De woning is afgedekt met donkere dakpannen.

Rondom de agrarische bedrijfsbebouwing is een groensingel aanwezig met enkele bomen en opgaande beplanting. Deze groensingel heeft geen noemenswaardige natuurlijke en landschappelijke waarde. Aan de straatzijde van de Ransdalerweg staat een bomenrij die landschappelijk als waardevol is aangemerkt en in dat kader ook beschermd is door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselementen' in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Voerendaal.

Hoofdstuk 3 Planvoornemen

3.1 Herbestemming agrarische bedrijfsbestemming

Het planvoornemen bestaat concreet uit het slopen van de overbodige agrarische bedrijfsbebouwing en het handhaven van de (voormalige) bedrijfswoning als reguliere burgerwoning met garage op een woonperceel van 1.000 m2. De overige gronden worden weer in gebruik genomen als agrarisch gebied. Deze gronden gaan daarmee onderdeel uitmaken van het aangrenzende open agrarische gebied. Door de sloop van de overbodige bebouwing (circa 900 m2) wordt deze openheid versterkt en neemt de verstening ter plaatse af.

De vigerende bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wordt omgezet naar een bestemming 'Wonen' ten behoeve van het beoogde woonperceel. De overige gronden verkrijgen de bestemming 'Agarisch', conform de omliggende bestemming van agrarische onbebouwde gronden uit het bestemmingsplan 'Buitengebied'.

Met de herbestemming vindt een kwaliteitsverbetering plaats in de vorm van:

  • het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing;
  • het landschappelijk inpassen van het woonperceel met streekeigen beplanting.
3.1.1 Ontsluiting en parkeren

Ten aanzien van de ontsluiting vindt met onderhavige herbestemming geen verandering plaats. De bestaande inrit en ontsluiting op de Ransdalerweg blijft behouden.

Op eigen terrein dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Voor een gezinswoning betekent dit dat op eigen terrein moet worden voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen. Het woonperceel biedt voldoende ruimte voor de 2 parkeerplaatsen.

3.2 Landschappelijke inpassing

Als onderdeel van onderhavige bestemmingswijziging dient deze ‘nieuwe’ woning met bijbehorende gronden (perceel 1.000 m2) landschappelijk ingepast te worden. Om de landschappelijke inpassing te kunnen bepalen heeft een inventarisatie plaats gevonden van de aanwezige beplanting. Op basis daarvan is bekeken wat wenselijk is om te behouden en waar dit in de vorm van de landschappelijke inpassing van het woonperceel aangevuld c.q. versterkt kan worden. Dit heeft geresulteerd in onderstaande landschappelijke inpassing. In Bijlage 1 is het volledige landschappelijk inpassingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0986.BPRansdalerweg2-VA01_0005.png"

Landschappelijke inpassing woning Ransdalerweg 2 te Voerendaal

Door de sloop van de overbodige agrarische bedrijfsbebouwing krijgt het gebied ter plaatse zijn functie als agrarisch gebied weer terug. Het is niet wenselijk om ter plaatse nieuwe beplanting aan te brengen. Het gebied moet hier juist open blijven om zo het aangrenzende open agrarische gebied te versterken.


De drie bomen, welke voorheen onderdeel uitmaakte van de groensingel, en de bomenrij aan de Ransdalerweg zorgen al enigszins voor de landschappelijke inpassing door de afschermende werking. Derhalve is er voor gekozen om alleen het woonperceel als zodanig landschappelijk in te passen door het aanbrengen van een groensingel/-haag. Twee te handhaven bomen in de directe nabijheid van het woonperceel worden geïntegreerd in deze groensingel/-haag. Het woonperceel met woning wordt door deze singel afgeschermd van het aangrenzende open agrarische gebied en daarmee wordt ook de privacy van de woning gewaarborgd. Aan de oostzijde wordt deze groensingel/-haag extra versterkt door de aanplant van een bomenrij als onderdeel hiervan. Tevens wordt aan de voorzijde nog een boom toegevoegd om de aanwezige bomenrij te completeren. Tot slot wordt aan de voorzijde en parallel aan de inrit een beukenhaag aangeplant als overgang naar de weg en als begeleiding van deze inrit.
De derde te handhaven boom komt door de sloop van de overbodige agrarisch bebouwing in het open agrarische gebied te liggen. Hier komt deze solitaire boom juist goed tot zijn recht in de openheid van het agrarische gebied en is daarmee een aanwinst voor het gebied.

De beplanting die in het kader van de landschappelijke inpassing wordt aangeplant bestaat uit gebiedseigen beplanting. Voor de soorten beplanting, de aantallen en grootte wordt eveneens verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Inleiding

Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.


Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan.

4.2 Beleid rijk

4.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze nieuwe structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.


De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen:

  • de veranderende behoefte aan wonen en werken;
  • de mobiliteit van personen;
  • economische positie tussen de tien meest concurrerende landen vasthouden voornamelijk in de sectoren logistiek, water, hightech, creatieve industrie, chemie en voedsel en tuinbouw;
  • de bijzondere waarden (compacte steden omringd door open en natuurrijk landelijk gebied, cultuurhistorie en natuur) koesteren en versterken;
  • waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater in verband met de klimaatverandering en stedelijke ontwikkeling;
  • aandeel duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie moet worden vergroot;
  • deregulering.


Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel. Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard.


De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.


Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers, reizigers en verladers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld:

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar on-derling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan.


Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijfsperceel naar een woonfunctie en het amoveren van de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing. Het planvoornemen heeft geen invloed op de gestelde doelen van het Rijk en bovendien voorziet de SVIR niet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de SVIR gelden.

4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De SVIR (zie paragraaf 4.2.1) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Aangezien de SVIR niet van invloed is op het planvoornemen, heeft ook het Barro geen gevolgen voor de bestemmingswijziging van het voormalige agrarische bedrijf naar 'Wonen' (voormalige bedrijfswoning) en 'Agrarisch' (amovering agrarische bedrijfsbebouwing).

4.2.3 Ladder van duurzame verstedelijking

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en overprogrammering worden voorkomen. Door middel van de 'ladder van duurzame verstedelijking' (kortweg: duurzaamheidsladder) vindt een toetsing plaats. De ladder bestaat uit drie treden:

  • 1. Behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte waarin nog niet elders in de regio is voorzien. Het kan zowel om een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte gaan.
  • 2. Binnen- of buitenstedelijk: indien er sprake is van een actuele regionale behoefte, dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformaties van bestaande locaties;
  • 3. Bereikbaarheid met meerdere modaliteiten: indien gekozen moet worden voor een locatie buiten het stedelijke gebied, dan gaat de voorkeur uit naar een plek die (in de toekomst) bereikbaar is via verschillende vervoerswijzen.

Uit de redactie van artikel 6.1.2, lid 2 Bro blijkt dat de ladder slechts van toepassing is op ruimtelijke besluiten die een 'stedelijke ontwikkeling' mogelijk maken. Dit begrip is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i gedefinieerd als:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Het planvoornemen betreft uitsluitend de herbestemming van een voormalig agrarisch bedrijf waarbij de bestaande bedrijfswoning bestemd wordt tot wonen. Hierbij is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt zelfs gesloopt, waardoor sprake is van ontstening in het buitengebied. Deze herbestemming is met name bedoeld om de belangen van het waterwingebied veilig te stellen.

4.2.4 Natuurbeschermingswet / Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden met als doel het ontwikkelen en in stand houden van soorten en ecosystemen die belangrijk zijn voor Europa. Deze gebieden zijn aangewezen op basis van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het beleid houdt echter niet bij de landsgrenzen op, vogels en planten trekken zich immers niets aan van landsgrenzen.

Er zijn drie thema's die centraal staan bij Natura 2000, te weten beleven, gebruiken en beschermen.

  • Beleven houdt in dat er ruimte wordt gecreëerd voor recreatie. Recreatie en natuurontwikkeling in dezelfde omgeving betekent echter wel dat er goede afspraken gemaakt moeten worden.
  • Met gebruiken wordt bedoeld dat de natuur naast haar schoonheid ook economisch functioneel is. Wonen, werken en recreëren in een mooie omgeving is het streven, waarbij economie en ecologie met elkaar in balans dienen te zijn.
  • Beschermen wil zeggen het duurzaam beschermen van flora en fauna. Het ideaalbeeld wordt bereikt wanneer de drie thema's in combinatie met elkaar zonder problemen van toepassing kunnen zijn op natuurgebieden.

Het ministerie van Landbouw Natuur en Visserij neemt hierin in het voortouw, door Natura 2000-gebieden aan te wijzen. Bij het aanwijzen van een gebied wordt op basis van enkel ecologische argumenten bepaald welke natuurwaarden op welke locatie geholpen moeten worden en welke doelstellingen daarbij behaald moeten worden.

Voor ieder definitief aangewezen natuurgebied dient een beheersplan opgesteld te worden met een looptijd van zes jaar. Een dergelijk beheersplan wordt opgesteld in goed overleg met eigenaren, beheerders en betrokken overheden (met name gemeenten, waterschappen en provincies). Het plan geeft weer wat er moet gebeuren om de gestelde doelen te bereiken en wie daarvoor verantwoordelijk is.

Natura 2000 komt terug op bepalingen in de Natuurbeschermingswet. Gemeenten zijn derhalve verplicht om beheersplannen ten aanzien van Natura 2000-gebieden door te laten werken in het betreffende bestemmingsplan, indien een dergelijk gebied (gedeeltelijk) binnen het plangebied valt. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Geleenbeekdal.

Het plangebied valt dus niet binnen een Natura 2000 gebied. De herbestemming van het voormalige agrarische bedrijfsperceel naar een woonfunctie en het amoveren van de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing heeft geen gevolgen voor het Natura 2000 gebied. Er vindt geen extra emissie plaats van stoffen die het Natura 2000-gebied zouden kunnen schaden. Er treedt voor de directe omgeving juist een verbetering op door het ter plaatse beëindigen van de agrarische bedrijfsbestemming en het intrekken van de milieurechten.

4.3 Beleid provincie Limburg

4.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Limburg en inwerking getreden op 16 januari 2015. Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).

In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij onze basisfilosofie en ook bij aanpak van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren.

In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.

De belangrijke principes in het limburgs omgevingsbeleid zijn:

  • Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
  • En uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

In het POL 2014 is het plangebied gelegen binnen de bronsgroene landschapszone. In de bronsgroene landschapszone zijn Perspectief 2 POG en 3 Ruimte voor veerkrachtige watersystemen samengebracht. Deze zone omvat de beekdalen én gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, die in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap zijn. De accenten liggen op de kwaliteit en het functioneren van het regionaal watersysteem, de ontwikkeling van landbouw in balans met de omgeving, het versterken van de kernkwaliteiten van het landschap en de cultuurhistorie en recreatief medegebruik.

De planologische basisbescherming voor de bronsgroene landschapszone betreft de ja-mits bescherming. Ontwikkelingen binnen het voor deze gebieden geldende beleid zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden. Feitelijk gold een vergelijkbare bescherming voorheen ook al in de vorm van de ontwikkelingsgericht basisbescherming. Transformaties en gebiedsontwikkelingen in deze gebieden bieden in de visie van de provincie de nodige kansen voor combinatie van natuur en economie.

Het planvoornemen voorziet in een duurzame herbestemming van de gronden door de agrarische bedrijfsbestemming te wijzigen in een woonbestemming ter plaatse van de (voormalige) bedrijfswoning en in een agrarische bestemming na sloop van de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing. Door de landschappelijke inpassing van de voormalige agrarische bedrijfswoning en het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing worden de kernkwaliteiten ter plaatse versterkt. Hierdoor wordt een wezenlijke bijdrage gelevert aan het landschap op deze locatie. Daarnaast vindt door het opheffen van de agrarische bedrijfsactiviteiten een aanzienlijke milieuwinst plaats, waarbij de belangen van het waterwingebied veilig worden gesteld. Het planvoornemen past derhalve binnen de kaders van het omgevingsplan.

4.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De omgevingsverordening Limburg is gelijktijdig met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg

2014 op 12 december vastgesteld en op 16 januari 2015 inwerking getreden. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk 'Ruimte', waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd.

De 'oude' Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Deze Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. In 2014 is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk 'Ruimte' aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk 'Ruimte' is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Op basis van de omgevingsverordening maakt de locatie deel uit van:

  • Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg;
  • Bronsgroene landschapszone;
  • Uitsluitingsgebieden windturbines;
  • Waterwingebied;
  • Rioolplichtontheffing.

Met het onderhavige planvoornemen wordt door de landschappelijke inpassing van de voormalige agrarische bedrijfswoning en het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing de kernkwaliteiten ter plaatse versterkt. Hierdoor wordt een wezenlijke bijdrage gelevert aan het landschap op deze locatie. Er wordt niet voorzien in een windturbine. De herbestemming voorziet er juist in om de belangen van het waterwingebied veilig te stellen. De bestaande bebouwing is reeds aangesloten op het aanwezige rioolstelsel. Hierin vindt geen verandering plaats.

Er zijn derhalve voor het planvoornemen geen belemmeringen. Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen beperkingen oplegt aan de realisatie c.q. uitvoering van het planvoornemen.

4.3.3 Provinciaal Waterplan 2010-2015

Het provinciaal waterplan 2010-2015 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder door vertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, te weten het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas.

Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdende stroomgebiedbenadering door middel van een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het solidariteitsprincipe in acht genomen worden en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen.

Het planvoornemen is gelegen binnen het waterwingebied Craubeek. Gezien het belang van de drinkwatervoorziening is aantasting van de milieukwaliteit ten gunste van economische functies, bedrijfsactiviteiten met een hoog risico voor de drinkwaterwinning, nieuwe woon- en bedrijfsbebouwing (inclusief uitbreiding) en nieuwe spoor-, water- en gewone wegen niet toegestaan. In onderhavige situatie is dit ook niet het geval. Met de herbestemming van het voormalige agrarisch bedrijf worden juist de belangen van het waterwingebied veilig gesteld.

4.4 Beleidskader gemeente

4.4.1 Toekomstvisie Voerendaal 2018

Begin 2006 is door de gemeenteraad de Toekomstvisie 2018 opgesteld. De gemeente Voerendaal richt zich daarbij op het versterken van de leefbaarheid in de kernen met respect voor het landelijk gebied, waarbij de inwoners centraal staan. In het ambitieprogramma ‘Lekker wonen in Voerendaal’ stonden de belangrijkste projectplannen; ‘Centrumplan Voerendaal’ en ‘Woonmilieuvisie Voerendaal’. Insteek hiervan is meer investeren in het leefmilieu om jongeren vast te houden, het faciliteren van ouderen (zorgvoorzieningen), voorzieningen in de kernen overeind houden en de kwaliteiten van het landschap beter benutten.

Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijf naar een woonbestemming (voormalige bedrijfswoning) en agrarische bestemming (amoveren agrarische bedrijfsbebouwing). De instandhouding van deze bestaande woning wordt hiermee duurzaam geborgd. Tevens staat daar een kwaliteitsverbetering van het landschap tegenover door het amoveren van de agrarische bedrijfsbebouwing en het landschappelijk inpassen van de woning. Het planvoornemen past binnen de toekomstvisie.

4.4.2 Volkshuisvestingsplan "Samen bouwen aan wonen in Voerendaal in 2020"

Op 28 juni 2012 is het meerjaren volkshuisvestingsplan: "Samen bouwen aan wonen in Voerendaal 2020" door de gemeenteraad van Voerendaal vastgesteld. Dit beleid, dat is opgesteld in samenwerking met de woningstichting Voerendaal en Parkstad Limburg, bestaat uit een visie-deel ten aanzien van het wonen en een uitvoeringsprogramma. Aan de hand hiervan zijn de ambities en doelstellingen geformuleerd om een toekomstbestendig woon- en leefklimaat te realiseren voor de gemeente en de afzonderlijke kernen in het bijzonder.

Het doel van dit programma is om ook voor de toekomst een balans te behouden tussen vraag en aanbod van woningen in de gemeente Voerendaal. Het gaat om evenwicht in zowel aantallen woningen als de samenstelling. Het streven is om de mogelijke kwantitatieve en kwalitatieve onevenwichtigheden in de woningmarkt weg te nemen danwel te voorkomen.

Iedere kern heeft een eigen signatuur en te maken met een eigen demografische ontwikkeling. Daarom is per kern de opgave gedefinieerd en aangegeven hoe de gemeente deze opgave gaat realiseren. Daarbij is aandacht voor leefbaarheid, levensloopbestendigheid, zorg, onderwijs, voorzieningen en mobiliteit. Dit heeft geresulteerd in een opgave die is vastgelegd in een uitvoeringsprogramma.

Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijf naar een woon- en agrarische bestemming. De instandhouding van deze bestaande woning wordt hiermee duurzaam geborgd. Hierbij is geen toename van het aantal woningen. Dit blijft namelijk gelijk, omdat de voormalige bedrijfswoning wordt omgezet in een reguliere woning. Derhalve zijn er geen consequenties voor het volkshuisvestingsbeleid van de gemeente Voerendaal.

4.4.3 Gemeentelijke erfgoedverordening

De Erfgoedverordening van de gemeente Voerendaal geeft aan welke bepalingen er gelden ten aanzien van het al dan niet aanwijzen van gemeentelijke monumenten. Op 9 februari 2012 is deze verordening vastgesteld. Hierin zijn de instandhoudingsbepalingen voor archeologische terreinen en de wijze van omgaan met monumenten opgenomen. In de gemeente Voerendaal zijn geen gemeentelijke monumenten aangewezen. Alle panden in Voerendaal, die een monumentale waarde hebben (circa 100), zijn aangewezen als rijksmonument en genieten als zodanig een stringente bescherming op basis van de Monumentenwet 1988.

Een aantal panden en objecten in Voerendaal (eveneens circa 100) bezit zogenaamde beeldbepalende kwaliteiten. Deze panden en objecten zijn aangemerkt als "karakteristiek", en genieten een beperkte bescherming, die geregeld wordt in het bestemmingsplan.

Onderhavige woning en voormalige bedrijfsbebouwing heeft geen monumentale status en is in het bestemmingsplan ook niet aangewezen als karakteristiek. De woning behoeft daarom geen nadere bescherming en met de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing gaan geen cultuurhistorische waarden verloren.

4.4.4 Gemeentelijk Waterplan

In het Gemeentelijk Waterplan heeft de gemeente Voerendaal haar visie op het omgaan met water neergelegd. Uitgangspunt is het streven naar een duurzaam watersysteem, dat wil zeggen voor nu en altijd veilig, schoon, voldoende, natuurlijk en aantrekkelijk water. Daartoe worden de volgende waterdoelen nagestreefd:

  • Een veilige woon-, verblijf- en werkomgeving door het voorkomen van wateroverlast.
  • Voorkomen van waterverontreiniging.
  • Herstellen van de natuurlijk waterhuishouding in stedelijk en landelijk gebied.
  • Zichtbaar en natuurlijk water in bebouwd en onbebouwd gebied.

In het gemeentelijk Waterplan zijn zes thema's onderscheiden. Per thema is een visie gegeven op water. De zes thema's zijn:

  • 1. Waterkwantiteit.
  • 2. Waterkwaliteit en ecologie.
  • 3. Riolering en afvalwater.
  • 4. Water en ruimtelijke ordening.
  • 5. Beheer en onderhoudsaspecten.
  • 6. Waterbeleving en recreatie.

De wijze waarop met de waterhuishoudkundige aspecten in dit bestemmingsplan wordt omgegaan, staat beschreven in paragraaf 5.11.

4.4.5 Verordening Wet geurhinder en veehouderij

Door middel van een geurverordening worden de belangen leefbaarheid en respect voor het landelijk gebied (de agrariër in het landelijk gebied) zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In de Verordening Wet geurhinder en veehouderij Voerendaal 2011 worden de volgende uitgangspunten in acht genomen:

  • Voor de definitie van het begrip "bebouwde kom" wordt aangesloten bij het contourenbeleid van het POL2006.
  • Bij de beoordeling van geurhinder, veroorzaakt door dieren met vaste afstanden op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), wordt een afstand van 50 m binnen de bebouwde kom en 25 m buiten de bebouwde kom gehanteerd.
  • Voor de beoordeling van geurhinder, veroorzaakt door dieren met geuremissiefactoren op basis van de Wgv, worden geen afwijkende normen voor de geurbelasting gehanteerd.
  • Voor de beoordeling van geurhinder, veroorzaakt door dieren met geuremissiefactoren op basis van de Wgv, ter plaatse van een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt een vaste afstand van 50 m binnen de bebouwde kom en 25 m buiten de bebouwde kom gehanteerd.

In paragraaf 5.5 is de toetsing aan deze verordening verder uitgewerkt.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Algemeen

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.

5.2 Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.

Om inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit is een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 14061559, 23 december 2014). Hieruit is gebleken dat de bodem voornamelijk uit zwak zandige leem, welke maximaal 1,0 meter minus maaiveld zwak humeus is, alsmede plaatselijk zwak grindig. Plaatselijk bestaat de bodem verder uit matig tot sterk siltig, matig grof of zeer grof zand. Deze bodem is plaatselijk bovendien matig grind of bevat brokken leem.

Zintuiglijk zijn in de bodem tot maximaal 0,65 meter minus maaiveld zwakke bijmengingen met baksteen en kolengruis waargenomen, alsmede volledige lagen bestaande uit stol, slakken of betongranulaat.

Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.

De zintuiglijk verontreinigde grond is plaatselijk licht verontreingid met cadmium. In de zintuigelijk schone grond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Aangezien het grondwater zich dieper dan 5,0 meter minus maaiveld bevind, heeft er conform de NEN5740 geen grondwateronderzoek plaatsgevonden.

De vooraf gestelde hypothes, dat de onderzoekslocatie als 'verdacht' dient te worden beschouwd wordt, op basis van de plaatselijke lichte verontreiniging in de bovengrond, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.

Aanvullend dient opgemerkt te worden dat in het onderzoek bekend is geworden dat op de onderzoekslocatie een ondergrondse HBO-tank en een bovengrondse dieseltank aanwezig zijn geweest. Van de dieseltank, gelegen direct achter de te slopen bebouwing, is bekend dat deze in juni 2015 is gesaneerd.

Het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 2 toegevoegd aan deze toelichting.

5.3 Geluid

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.

Door de bestemmingswijziging verandert de functie van de bedrijfswoning in burgerwoning. De gevoeligheid van het object verandert in dit kader niet, omdat het object op grond van de Wet geluidhinder voor de onderdelen weg- en railverkeer al als geluidsgevoelig object is aangemerkt. Een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting is zodoende in het kader van deze bestemmingsplanherziening niet noodzakelijk. Indien een eventuele toekomstige bewoner de woning wil gaan renoveren, en daarvoor is een omgevingsvergunning nodig, dan kan deze toekomstige bewoner geconfronteerd worden met het feit dat voor de woning alsnog akoestische voorzieningen getroffen moeten worden. Een akoestisch onderzoek zal dit dan moeten uitwijzen.

Ook met het gegeven dat de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt is een akoestisch onderzoek niet nodig. De te slopen bebouwing vormt namelijk in de huidige situatie geen afscherming ten opzichte van de geluidsbronnen (weg- en railverkeer), omdat deze achter of naast de woning zijn gelegen.

5.4 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen.


Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voor-waarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • b. een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.


Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Met onderhavig plan vindt enkel een gebruikswijziging plaats. Het aantal woningen blijft gelijk en de verkeersaantrekkende werking zal met de nieuwe functie afnemen ten opzichte van de huidige agrarische bedrijfssituatie. Op basis van de 'Regeling niet in betekenende mate' en de meest recente juridische inzichten is het aannemelijk dat de voorliggende bestemmingswijziging niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit wordt niet noodzakelijk geacht.

5.5 Geurhinder

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Industriële geurhinder komt in de nabijheid van het plangebied niet voor.


Het geurbeleid voor bedrijven in de agrarische sector is bepaald in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv - 5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij. In deze wet worden normen gesteld voor de geurbelasting die een veehouderij (het dierenverblijf, niet de opslag van bijproducten e.d.) mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze belasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt echter alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder emissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een nieuw geurgevoelig object, aangezien de voormalige bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning, waarmee de bestaande woonfunctie behouden blijft.

Verder liggen er in de directe nabijheid geen agrarische bedrijven waarvoor het noodzakelijk zou zijn de geurhinder nader te onderzoeken.

Daarnaast vindt door het beëindigen van het agrarisch bedrijf en het intrekken van de milieurechten ter plaatse een kwaliteitsverbetering plaats voor de directe omgeving van onderhavige situatie.

5.6 Bedrijven- en milieuzonering

Door het toepassen van een milieuzonering voor milieuhinderlijke bedrijven kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies krijgen. Andersom geldt dat nieuwe milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd.

In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocatie liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand.

In de omgeving van het plangebied zijn weinig bedrijven gelegen. Er zijn twee agrarische bedrijven aan te wijzen, één aan de Ransdalerweg (circa 65 meter) en één aan Terveurt (circa 125 meter). Voor deze agrarische bedrijven geldt dat geur het belangrijkste aspect is. In paragraaf 5.5 Geurhinder is reeds geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn.

Op ruim 250 meter is aan de Weg langs de Zevensprong een bedrijfsperceel aanwezig. Dit betreft een nutsvoorziening. Voor nutsvoorzieningen is een richtafstand van 30 meter van toepassing. Aan deze richtafstand is ruimschoots voldaan. Daarnaast is er reeds sprake van een bestaande woning. Vanuit bedrijven- en milieuzonering zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.7 Externe veiligheid

Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:

  • bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven;
  • bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers.


Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg kan geconcludeerd worden dat er zich in of nabij het plangebied geen risicobronnen bevinden. Er zijn geen leidingen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig.

Wel vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de rijksweg A79. De veiligheidszone van het plaatsgebonden risico (PR 10-6) van de A79 bedraagt 0 meter. Er is dus geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour buiten de weg. Wel is het invloedsgebied van het groepsrisico van 900 meter voor de A79 over het plangebied gelegen. Voor een zone van 200 m uit de weg geldt een volledige verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR) en dient bij nieuwe ontwikkelingen een berekening van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Voor het gebied buiten de 200 m is een berekening van het groepsrisico overbodig. De verantwoordingsplicht in deze situaties omvat uitsluitend de beschouwing en verantwoording van de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de mogelijkheden voor de rampbestrijding en de zelfredzaamheid van de mensen in dit invloedsgebied.

Het plangebied ligt op meer dan 200 meter van de weg, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is. Bovendien voorziet het planvoornemen in een herbestemming van een reeds bestaande woonfunctie. Er vindt daardoor geen toename van mensen binnen het invloedsgebied plaats.

Het planvoornemen wordt dan ook niet beïnvloed door externe veiligheidsaspecten.

5.8 Kabels en leidingen

In of nabij het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen aanwezig zijn die planologische bescherming behoeven.

5.9 Archeologie en cultuurhistorie

5.9.1 Archeologie

In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard.


Het Verdrag van Valletta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.


Het beleid van de provincie Limburg, zoals deze is geventileerd in het POL, sluit hier nauw bij aan. Het POL benadrukt dat archeologische waarden planologisch behouden en beschermd moeten worden, maar streeft ook naar het creëren van condities voor inspectie en beheer. Bovendien legt het niet zozeer de nadruk op geïsoleerde archeologische waarden, maar op waarden als onderdeel van een groter geheel.

De aanwezigheid van archeologische waarden en vindplaatsen en de verwachtingen daaromtrent zijn in Parkstad Limburg-verband vastgelegd in het document “Hoog, middelhoog, laag". Een archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart voor de Parkstad Limburg gemeenten en de gemeente Nuth”. De Deelkaart gemeente Voerendaal geeft de archeologische verwachting van de gronden weer, alsmede de ligging van archeologische monumenten en archeologische vindplaatsen.

Tevens beschikt de gemeente Voerendaal over de ‘Archeologische verwachtings- en beleidskaart Voerendaal 2013’. Deze kaart is vastgesteld door de gemeenteraad van Voerendaal in januari 2014. Op basis van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de bijbehorende archeologische verwachtingskaart heeft het plangebied de verwachtingswaarden: ‘overige monumenten en gebieden met een hoge verwachtingswaarde (waardecategorie 3), ‘gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde’ (waardecategorie 4) en 'gebieden met een lage verwachtingswaarde' (waardecategorie 5). In een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wanneer het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en minder diep dan 40 cm. Voor gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde geldt dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is wanneer het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 minder diep dan 40 cm . In een gebied met een hoge verwachtingswaarde ligt de ondergrens van de onderzoeksplicht op 250 m2 en 40 cm.

Ter plaatse van de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing (900 m2) is de bodem door deze bebouwing al geroerd en zodanig verstoord dat er vanuit archeologie geen belemmeringen te verwachten zijn. Bovendien is de hoge verwachtingswaarde voornamelijk aanwezig ter plaatse van het te behouden woonhuis. Er moet dan wel de voorwaarde worden gesteld dat er 'netjes' wordt gesloopt. Dit houdt in dat ondergrondse bouwconstructies worden weggehaald zonder de omliggende grond te roeren. Dit zal als voorwaarde gesteld worden bij de te verlenen omgevingsvergunning. Bovendien zullen op deze gronden geen andere werken of werkzaamheden plaatsvinden die in de bodem ingrijpen door het toekomstige gebruik. De gronden ter plaatse van de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing worden weer agrarisch in gebruik genomen. Eventuele archeologische waarden blijven hierdoor 'in situ' behouden.

Ter plaatse van het woonperceel (1.000 m2) vinden geen bodemingrepen plaats aangezien de bestaande situatie ongewijzigd blijft. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Met het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' vindt bovendien voor eventuele toekomstige ingrepen voldoende borging van de archeologische verwachtingswaarde plaats.

5.9.2 Cultuurhistorie

De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL is weergegeven, is gestoeld op de nota Belvèdere, met als uitgangspunt 'behoud door ontwikkeling'.


Het POL schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen.


De Ransdalerweg is onderdeel van het historische wegenpatroon in dit gebied. Hieraan verandert met onderhavig planvoornemen niets. De bestaande voormalige bedrijfswoning en voormalige agrarische bedrijfsbebouwing hebben geen monumentale status en zijn in het bestemmingsplan ook niet aangewezen als karakteristiek. De woning behoeft daarom geen nadere bescherming en met de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing gaan geen cultuurhistorische waarden verloren.

Met de benodigde landschappelijke inpassing is aansluiting gezocht bij het bestaande landschapselement aan de straatzijde van het perceel. Dit geheel is versterkt met een groensingel/haag met gebiedseigen beplanting.

Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waarden aanwezig.

5.10 Flora en fauna

5.10.1 Inleiding

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.2.4 is reeds ingegaan op de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Daarin is reeds aangegeven dat het planvoornemen, gezien de afstand (circa 2 km), niet van invloed is op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt derhalve alleen nog maar ingegaan op soortenbescherming.

5.10.2 Soortenbescherming

Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Staatsblad 1999, 264, laatstelijk gewijzigd Staatsblad 2009,617). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming.


In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Flora- en faunawet (met name op basis van de verbodsbepalingen van artikelen 8 tot en met 14) geen ontheffing zal worden verleend.


De Flora- en faunawet deelt de soorten in drie tabellen in. Voor soorten in de eerste tabel geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor soorten in tabel 2 is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, tenzij men beschikt over of de werkzaamheden (aantoonbaar) uitvoert volgens een door het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie (EL&I) vastgestelde gedragscode. De soorten in tabel 3 zijn het strengste beschermd. Afhankelijk van het planvoornemen en de beschermde soort die in of nabij het plangebied voorkomt vindt een afweging plaats. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten.


Standaard geldt voor het gehele plangebied de algemene zorgplicht zoals die in de Flora- en faunawet centraal staat (artikel 2). Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Met onderhavige planontwikkeling vindt een bestemmingswijziging plaats ten behoeve van het gebruik van de bestaande woning. Tevens wordt overtollige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Ter plaatse van het voormalige bedrijf zijn enkele solitaire bomen in combinatie met erfbeplanting aanwezig. Deze hebben geen natuurlijke waarde. Bovendien blijven enkele bomen behouden.

Met het slopen van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing kan het zijn dat hiermee een geschikte habitat voor beschermde diersoorten wordt weggenomen. Om dit uit te sluiten is een quickscan uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 14061560, 8 januari 2015). Hieruit is gebleken dat gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de aard van de plannen c.q. ingrepen de verwachting is dat de voorgenomen herontwikkeling/herbestemming van de agrarische bedrijfsbestemming uitvoerbaar is. Echter tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Flora- en faunawet in acht te worden genomen, hetgeen goed mogelijk is.

Dit houdt wel in dat met betrekking tot de sloop tijdig, door middel van (protocollair) veldonderzoek, duidelijk te zijn of er sprake is van overtreding van de Flora- en faunawet ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus. Indien van toepassing kunnen middels het aanvragen van een ontheffing en het tijdig treffen van de juiste maatregelen de voorgenomen sloop alsnog worden uitgevoerd. Aangezien de mogelijk te treffen maatregelen relatief eenvoudig binnen het plangebied zelf kunnen worden toegepast, worden geen bezwaren gezien ten aanzien van het verkrijgen van een eventueel benodigde ontheffing. Daarnaast kunnen overtredingen ten aanzien van overige broedvogels worden voorkomen komen door rekening te houden met het broedseizoen. Verder te allen tijde de algemen zorgplicht van toepassing.

Met betrekking tot de beschermende gebieden worden eveneens geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling/herbestemming op de onderzoeklocatie.

De quickscan flora en fauna is als Bijlage 3 toegevoegd aan deze toelichting.

5.11 Water

5.11.1 Inleiding

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden. In de navolgende paragraaf zal aangetoond worden dat het planvoornemen geen invloed heeft op de belangen van het waterschap en de waterhuishouding ter plaatse.

5.11.2 Bestaande situatie

Binnen het plangebied is de bedrijfsbebouwing en verharding aanwezig van een voormalig agrarisch bedrijf met een totaal oppervlakte van circa 1.040 m2. De bedrijfswoning is in de huidige situatie aangesloten op de aanwezige drukriolering. Het hemelwater dat op de daken en terreinverhardingen valt wordt afgevoerd via het bestaande rioolstelsel.

Het plangebied ligt in het waterwingebied Craubeek. In de waterwingebieden wordt voor de drinkwatervoorziening grondwater gewonnen. Aantasting van de milieukwaliteit ten gunste van economische functies, bedrijfsactiviteiten met een hoog risico voor de drinkwaterwinning, nieuwe woon- en bedrijfsbebouwing (inclusief uitbreiding) en nieuwe (spoor- en water-) wegen zijn niet toegestaan. Het waterwingebied is geregeld in de Omgevingsverordening Limburg.

5.11.3 Planvoornemen

Het planvoornemen betreft de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijfsperceel naar een woonfunctie (voormalige bedrijfswonign) en het amoveren van de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing. Deze gronden worden 'teruggegeven' aan het agrarisch gebied en als zodanig in gebruik genomen. Daarmee neemt het verhard oppervlak drastisch af (900 m2), waardoor het hemelwater weer mogelijkheden heeft om rechtstreek in de bodem te infiltreren.

In de nieuwe situatie bestaat de verharding enkel nog uit het reeds bestaande woonhuis met garage en de bestaande inrit van het perceel. Doordat deze bestaande situatie gehandhaafd blijft, verandert de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het woonperceel niet.

Vanwege de ligging in het waterwingebied dient met dit bestemmingsplan geborgd te blijven dat de kwaliteit van de waterwinvoorziening niet door ruimtelijke ingrepen wordt aangetast. In het onderhavige wijzigingsplan zijn dan ook regels ter bescherming van het waterwingebied opgenomen, conform de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' van de gemeente Voerendaal. Daarnaast vindt door de beëindiging van het agrarische bedrijf ter plaatse een verbetering van de milieukwaliteit plaats, aangezien de potentiële vervuiling door uitspoeling van meststoffen ter plaatse wordt weggenomen.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

6.1 Algemeen

Een drietal zaken bepalen de opzet en inrichting van de bijbehorende bestemmingsplanregels:

  • de digitale raadpleegbaarheid;
  • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012);
  • Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden.

Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullende, inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.

De woning met bijbehorend perceel is in onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt door de gronden te bestemmen als 'Wonen'. De overige gronden die tot het voormalige bestemmingsvlak behoorden zijn conform de aangrenzende bestemming bestemd tot 'Agrarisch'. Hiermee wordt zoveel mogelijk aangesloten op de regels van het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Voerendaal.

6.2 De verbeelding

In de verbeelding van het plan zijn aangegeven:

  • de grens van het plangebied;
  • de bestemming 'Wonen';
  • de bestemming 'Agrarisch';
  • de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie' en 'Waarde – Landschapselementen';
  • de gebiedsaanduidingen 'milieuzone – waterwingebied' en 'milieuzone - bodembeschermingsgebied';
  • de aanduidingen 'bouwvlak', 'bijgebouw' en 'vrijstaand'.

De kleur in de verbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Logisch dus dat de kleur meteen duidelijk maakt welk artikel uit de regels geraadpleegd moet worden. Daarbij geven de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouw' aan welke bouwmogelijkheden er zijn. De aanduiding 'vrijstaand' geeft de woningtypologie aan.

6.3 De regels

6.3.1 Algemeen

De regels zijn als volgt opgebouwd:

  • inleidende regels;
  • bestemmingsregels;
  • algemene regels;
  • overgangs- en slotregels.

Allereerst zijn de inleidende regels opgenomen: de begripsbepalingen en de regels omtrent de wijze van meten. Vervolgens zijn artikelen van de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bevatten de specifieke regels voor de betreffende bestemming. Daarna volgen de algemene regels. Dit is een aantal regels van een algemeen en administratief karakter, welke onontbeerlijk zijn voor een bestemmingsplan. Het betreft hier de anti-dubbeltelregel, algemene regels met betrekking tot bouwen, gebruik, (gebieds)aanduidingen, ontheffing, wijziging, procedure en overige regels. Tot slot de regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.

6.3.2 Opbouw bestemmingsregels

Bij de aanwijzing van de afzonderlijke bestemmingen is steeds dezelfde structuur gekozen, en wel de volgende:

  • bestemmingsomschrijving, om het toegelaten gebruik te verduidelijken;
  • regels voor het bouwen;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels, voor zover aan de orde;
  • specifieke gebruiksregels, onderscheiden naar gebruik van de grond en gebruik van de opstallen;
  • afwijking van de gebruiksregels, voor zover aan de orde;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden, voor zover aan de orde;
  • wijzigingsbevoegdheden, voor zover aan de orde;
  • specifieke procedureregels, onderscheiden naar procedureregeling nadere eisen.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Aan het planvoornemen om het voormalige agrarische bedrijfsperceel te herbestemmen naar een woonfunctie en agrarisch gebruik zijn uitsluitend legeskosten verbonden. De functiewijziging betreft een initiatief van de huidige eigenaar (WML). De aanleg van het landschappelijk inpassingsplan komt eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Bijkomende kosten, zoals voor de aansluiting op de nutsvoorzieningen zijn niet aan de orde. Het betreft immers een bestaande situatie. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Voerendaal zal een anterieure overeenkomst worden afgesloten waarmee wordt vastgelegd dat de realisatie van de landschappelijke inpassing en eventuele planschade voor rekening komt van de initatiefnemer.

Voorgaande overziend zijn er voor de gemeente Voerendaal geen kosten aan de uitvoerbaarheid van het plan verbonden.

7.2 Maatschappelijke haalbaarheid

7.2.1 Planvoornemen

Het planvoornemen bestaat uit de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijfsperceel naar een woonfunctie en agrarisch gebruik. Aangezien het planvoornemen uitsluitend bestaat uit een functiewijziging en in onderhavige toelichting is aangetoond dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, maar zelfs sprake is van een kwaliteitsverbetering, mag worden aangenomen dat het planvoornemen niet leidt tot overwegende planologische bezwaren.

Bovendien voorziet het planvoornemen als tegenprestatie voor de herbestemming in de landschappelijke inpassing van het woonperceel en de aanwezige woning. De gronden ter plaatse van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing krijgen een agrarische functie met het oog op de openheid in het gebied. Geconcludeerd wordt dan ook dat functiewijziging geen nadelige (ruimtelijke) gevolgen heeft maar voornamelijk een kwaliteitsverbetering van het landschap en de omgeving betekent.

Het bestemmingsplan wordt echter wel conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.

Hoofdstuk 8 Procedure

8.1 De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:

a) Ontwerp:

  • Publicatie en terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en de Wro;
  • Gedurende deze terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen bij de gemeenteraad;

b) Vaststelling:

  • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad;
  • De provincie heeft de mogelijkheid om een reactieve aanwijzing te geven (dat gedeelte waarvoor een reactieve aanwijzing is gegeven treedt niet in werking);
  • Publicatie en terinzagelegging van het vaststellingsbesluit en vastgestelde bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn;

c) Beroep (indien aan de orde):

  • Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

d) Inwerkingtreding:

  • Na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan).

In het kader van deze procedure is het voor een ieder mogelijk om gedurende de ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan (fase a) zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.

8.2 Inspraak en vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft in het kader van de inspraak per 13 mei 2015 gedurende 6 weken, tot en met 24 juni ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen inspraakreactie op het plan ingediend.

Tevens is het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan diverse instanties. Alleen de provincie heeft een (inhoudelijke) reactie met betrekking tot het voorontwerp bestemmingsplan ingediend. De provincie geeft in deze reactie aan dat het plan beoordeeld is op de adequate doorwerking van de provinciale belangen zoals genoemd in het POL2014. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze verder wordt voortgezet, zal er voor de provincie geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het paln een zienswijze in te dienen.

8.3 Ontwerp/vaststelling

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.8. van de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerp bestemmingsplan 'Herbestemming agrarisch bedrijf Ransdalerweg 2 te Voerendaal' gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend.

Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 20 augustus 2015, gedurende zes weken, tot en met 30 september 2015 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode van ter inzage legging zijn er geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is dan ook in de raadsvergadering van 17 december 2015 ongewijzigd vastgesteld door de raad van de gemeente Voerendaal.